Een van de bronnen van inkomen in box 1 van de inkomstenbelasting is het resultaat uit overige werkzaamheden. Daartoe behoort het resultaat dat wordt behaald door vermogensbestanddelen ter beschikking te stellen aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Voor het antwoord op de vraag wie de houder is van een aanmerkelijk belang, is bepalend wie het economisch belang bij die aandelen heeft.
Wanneer het aanmerkelijk belang eindigt, houdt ook de terbeschikkingstelling op. Bij het einde van de terbeschikkingstelling gaat het vermogensbestanddeel van box 1 naar box 3. Een waardeverschil van het vermogensbestanddeel wordt bij die overgang in de belastingheffing in box 1 betrokken. Het tijdstip waarop een terbeschikkingstelling eindigt is dus van belang voor de belastingheffing.

De vraag, wanneer een terbeschikkingstelling van een verhuurd pand was geëindigd, speelde in een procedure. Het betrof een bv die haar onderneming overdroeg aan een lege dochter-bv en vervolgens de dochter-bv verkocht. Het verhuurde pand werd gebruikt voor de onderneming. De rechtbank was van oordeel dat de terbeschikkingstelling was geëindigd op het moment waarop de aandelen in de dochter-bv werden verkocht. Dat was in 2011. In hoger beroep oordeelde het hof dat de terbeschikkingstelling al in 2010 was geëindigd, omdat in dat jaar de onderneming was overgedragen aan de dochter-bv. Vanaf de datum van overdracht van de onderneming werd het pand feitelijk ter beschikking gesteld aan de dochter-bv. Volgens het hof berustte de economische eigendom van de aandelen in de dochter-bv in december 2010 al bij de koper van de aandelen. De overeenkomst van overdracht van de onderneming van december 2010 was namens de dochter-bv medeondertekend door de koper van de aandelen. De eigenaar van het pand, tevens de aandeelhouder van de moeder-bv, verklaarde dat de economische eigendom van de aandelen in de dochter-bv op dat moment als was overgedragen aan de koper.

Dat bleek volgens het hof ook uit het feit dat de dochter-bv tot en met 2009 was opgenomen in een fiscale eenheid met de moedermaatschappij, maar in 2010 zelfstandig belastingplichtig was, ondanks dat de juridische eigendom van de aandelen pas in 2011 werd overgedragen. Omdat er geen verzoek gedaan was om de fiscale eenheid te verbreken, was kennelijk niet meer aan het vereiste van economische eigendom van de aandelen in de dochter-bv door de moeder-bv voldaan.

De Belastingdienst en de aandeelhouder verschilden van mening over de waarde van het pand. Volgens het taxatierapport van de Belastingdienst was het pand € 447.500 waard. De aandeelhouder voerde een taxatierapport aan waarin een bedrag van € 342.000 werd genoemd. Het hof zag geen reden om aan het ene taxatierapport meer gewicht toe te kennen dan aan het andere en stelde de waarde van het pand vast op € 395.000. Uitgaande van de boekwaarde van het pand per ultimo 2010 van € 362.077 bedroeg het resultaat door beëindiging van de terbeschikkingstelling € 32.923.

Hof Arnhem-Leeuwarden jurisprudentie ECLINLGHARL20181458, 16/01036
Thomas Vos

Wilt u meer weten over dit onderwerp?

Neemt u dan contact op met Thomas Vos

06 - 1940 3952 t.vos@hrtbusiness.nl