De nationale belastingwetgevingen van landen bevatten woonplaatsbepalingen. Wanneer iemand in meerdere landen volgens de nationale wetgeving als inwoner wordt aangemerkt, zal een tussen de landen gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing uitkomst moeten bieden. Iemand die inwoner is van meerdere landen wordt voor de toepassing van een verdrag geacht slechts inwoner te zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Heeft hij dat in beide landen dan moet bepaald worden met welk van beide landen de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn.

In het geval van een in het Verenigd Koninkrijk wonende en werkende Nederlander oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat de persoonlijke en economische betrekkingen met Nederland het nauwst waren. Bij die beoordeling zijn de gezinsbetrekkingen van groot belang. De vrouw en de minderjarige kinderen van de betrokkene woonden in alle jaren van het buitenlandse verblijf van de betrokkene in Nederland. De betrokkene verbleef met grote regelmaat, onder andere tijdens vakanties, in Nederland.

Vervolgens moest het hof de vraag beantwoorden welk land het heffingsrecht had over de in het Verenigd Koninkrijk genoten looninkomsten. De hoofdregel is dat de heffing toekomt aan het woonland. Wordt de dienstbetrekking uitgeoefend in het andere land, dan mag de werkstaat deze inkomsten in de belastingheffing betrekken. Het Verenigd Koninkrijk mocht als bronstaat de inkomsten in de heffing betrekken. Nederland mocht als woonstaat de inkomsten ook in de heffingsgrondslag betrekken, maar moest wel een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen.

Hof Arnhem-Leeuwarden jurisprudentie ECLINLGHARL20183814, nummers 17/00261 tot en met 17/00265

Wilt u meer weten over dit onderwerp?

Neemt u dan contact met ons op

040 - 8800 100 [email protected]